Geothermie In Lansingerland: stand van zaken tot nu

Dit artikel is gebaseerd op deskresearch in openbare dossiers op mijnbouwvergunningen.nl, aangevuld met openbare stukken van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), TNO, het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV), de Staatscourant en sector- en onderzoeksrapporten.

Aanleiding voor dit onderzoek waren eerdere publicaties van RTV Lansingerland over geothermie en mogelijke risico’s in de ondergrond. Daarbij kwamen vragen naar voren over toezicht, trillingen en de rol van geothermie in de energievoorziening van de regio. Dat riep een bredere vraag op: wat is eigenlijk de huidige stand van zaken van geothermie in en rond Lansingerland?

Die vraag is lokaal extra relevant. In Bleiswijk werd in 2007 namelijk de eerste geothermiebron van Nederland gerealiseerd. Daarmee behoort Lansingerland tot de pioniersgebieden van aardwarmte. Tegelijk ligt de gemeente midden in een van de grootste glastuinbouwclusters van het land, waar de vraag naar duurzame warmte groot is. Juist daardoor is de regio al jaren interessant voor nieuwe geothermieprojecten.

Op openbare vergunningensites en in beleidsstukken zijn meerdere aardwarmteputten, projecten en procedures in en rond Lansingerland terug te vinden. Dat maakt de gemeente niet alleen een belangrijke gebruiker van geothermie, maar ook een plek waar veel kennis en ervaring met deze techniek wordt opgebouwd.

Die combinatie – een vroege pioniersbron, meerdere projecten in de regio en een grote warmtevraag – maakt het interessant om opnieuw te kijken naar wat er inmiddels bekend is. Niet alleen over de voordelen van geothermie, maar ook over de vragen en onzekerheden die in officiële stukken zelf worden genoemd.

Waarom geothermie aantrekkelijk klinkt
De basis van geothermie is simpel uit te leggen. Warm water wordt uit een diepe aardlaag omhoog gehaald. Bovengronds wordt de warmte eruit gehaald. Daarna gaat het afgekoelde water via een andere put weer terug dezelfde diepe aardlaag in. Zo’n set van een productieput en een injectieput heet een doublet. In Nederland zitten de meeste aardwarmteputten op twee tot drie kilometer diepte en heeft het water daar meestal een temperatuur van 70 tot 90 graden Celsius.

Maar de aantrekkingskracht van geothermie zit niet alleen in de techniek. Die zit vooral in het probleem dat ermee moet worden opgelost: warmte verduurzamen is veel moeilijker dan stroom verduurzamen. Voor elektriciteit zijn er inmiddels meerdere alternatieven, zoals windmolens en zonnepanelen. Voor warmte ligt dat ingewikkelder. Warmte kun je minder makkelijk over lange tijd opslaan, je hebt er vaak veel van nodig op precies de momenten dat het koud is, en in de glastuinbouw gaat het bovendien om grote, constante hoeveelheden. Kassen hebben niet af en toe wat warmte nodig, maar vaak dag en nacht, in grote volumes en zo betrouwbaar mogelijk.

Juist daarom wordt geothermie door overheid en sector gezien als een aantrekkelijke optie. Anders dan zon en wind levert geothermie geen energie als het waait of als de zon schijnt, maar juist een bron die in principe constant warmte kan leveren. Voor de glastuinbouw is dat belangrijk, omdat de warmtevraag daar hoog en relatief stabiel is.

Landelijk zijn de ambities daarom groot. SodM schrijft dat er per 1 januari 2024 in totaal 33 aardwarmteproductielocaties waren, waarvan 20 operationeel. 3 daarvan bevinden zich in Lansingerland. Alle productielocaties bij elkaar leverden in 2024 samen 7,9 petajoule warmte. Dat is een flinke hoeveelheid energie: grofweg genoeg om meer dan 150.000 huishoudens een jaar lang van warmte te voorzien. Die warmte ging vooral naar kassengebieden en kleinere warmtenetten in woonwijken. Het doel van het Rijk is om in 2030 uit te komen op 15 petajoule, bijna het dubbele van nu.

Een groot deel van die groei wordt juist verwacht in gebieden met veel glastuinbouw. TNO schrijft dat de ontwikkeling van aardwarmte voor de gebouwde omgeving nog onzeker en vertraagd is, terwijl er voorlopig een grotere kans is op realisatie van projecten in de glastuinbouw. Dat maakt regio’s als Westland, Pijnacker en dus ook Lansingerland logisch in de nationale plannen voor verdere groei.

Dat is ook precies waarom geothermie hier politiek zo aantrekkelijk is. Voor een gemeente met veel kassen lijkt het op papier een techniek die twee problemen tegelijk kan aanpakken: minder aardgas gebruiken én toch veel warmte beschikbaar houden.

Maar een aardwarmtebron is niet onbeperkt
Een geothermiebron is geen oneindige warmtebron. Er zit diep in de grond veel warmte, maar dat betekent niet dat je op één plek onbeperkt dezelfde hoeveelheid warmte kunt blijven winnen. Als er langdurig en intensief warmte wordt onttrokken, kan een bron op termijn afkoelen of minder goed gaan presteren. En dat is iets wat in het debat vaak onderbelicht blijft.

Hoe snel dat gebeurt, hangt af van meerdere dingen. Bijvoorbeeld van de afstand tussen de productieput en de injectieput, van hoeveel water er wordt rondgepompt en van hoeveel uren per jaar een installatie draait. In de gemeentelijke Handreiking Aardwarmte NPLW staat dat de putten meestal 1,5 tot 2 kilometer uit elkaar liggen, zodat de warmwaterbron nauwelijks afkoelt. Maar dat laat tegelijk zien dat afkoeling wel degelijk een rol speelt en dus bewust moet worden beperkt. Zeker als meerdere putten of bronnen zoals hier dicht bij elkaar liggen of cumuleren.

TNO wijst er daarnaast op in haar Jaarverslag Aardwarmte in Nederland 2024 dat de langetermijnopbrengst van aardwarmte onzeker blijft, onder meer door onzekerheden in het bronvermogen en het aantal vollasturen. Met andere woorden: hoeveel warmte een geothermiebron op lange termijn echt kan blijven leveren, staat niet simpelweg vast.

Eerste belangrijke les ligt al in Bleiswijk
Toch begint het kritische deel van dit verhaal niet bij theorie, maar bij de lokale praktijk. Volgens brancheorganisatie Geothermie Nederland begon A+G Van den Bosch in Bleiswijk in 2007 met de realisatie van het eerste aardwarmteproject van Nederland.

De bron kwam in 2008 in gebruik. Dat maakt Bleiswijk niet alleen een pioniersplek, maar laat ook zien hoe jong de sector nog is: zelfs de oudste aardwarmtebron van Nederland draait nog geen twintig jaar. Voor een techniek die diep ingrijpt in de ondergrond betekent dat dat de praktijkervaring nog relatief beperkt is en kennis over langetermijneffecten zich nog steeds ontwikkelt. Juist bij dat vroege project moest SodM jaren later ingrijpen.

In april 2021 meldde SodM dat A+G Van den Bosch in Bleiswijk een last onder dwangsom kreeg wegens een ondeugdelijke verbuizing van een geothermieput. Om te begrijpen wat dat betekent, is het handig om te weten hoe zo’n put is opgebouwd. Een geothermieput is in feite een smalle tunnel van enkele kilometers diep in de aarde. Om te voorkomen dat water, gas of druk uit verschillende aardlagen met elkaar in contact komen, wordt de put van binnen bekleed met stalen buizen. Tussen die buizen en het gesteente wordt cement aangebracht. Dat systeem moet de verschillende aardlagen van elkaar scheiden.

Volgens SodM was bij deze put de stalen buis – de zogenaamde verbuizing – op één of mogelijk meerdere plaatsen beschadigd of niet goed afgesloten. Daardoor kon niet meer worden gegarandeerd dat de put volledig dicht was tussen de verschillende aardlagen.

Dat is precies waar het risico zit. Als de afsluiting van een put niet goed is, kan water of gas uit een diepe aardlaag via de put omhoog bewegen naar andere lagen. Ook kan druk zich verplaatsen naar plekken waar die niet hoort. Daarom zijn de regels voor putintegriteit in het Mijnbouwbesluit streng.

Voor inwoners klinkt dat misschien als een technisch detail, maar de reden dat toezichthouders hier zo streng op zijn, heeft te maken met mogelijke gevolgen in de ondergrond. Als een put niet goed afgesloten is, kunnen verschillende aardlagen met elkaar in verbinding komen te staan. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat zout water uit diepe lagen in contact komt met zoet grondwater dat dichter bij het oppervlak zit. Dat zoete grondwater wordt in Nederland onder andere gebruikt voor drinkwater, landbouw en natuur.

Ook kan gas dat in diepe lagen zit langs de put omhoog migreren. In extreme gevallen kan dat leiden tot gasophoping in de bodem of in gebouwen. Daarnaast kan het verplaatsen van druk in de ondergrond invloed hebben op hoe gesteentelagen en breuken zich gedragen. Daarom worden geothermieputten normaal gesproken ontworpen met meerdere lagen staal en cement, zodat elke aardlaag strikt van de andere gescheiden blijft.

Juist omdat een put duizenden meters diep is en door veel verschillende aardlagen gaat, is de integriteit van de put zelf een van de belangrijkste veiligheidsvoorwaarden bij geothermie.

Een last onder dwangsom betekent dat de toezichthouder het bedrijf verplicht het probleem te herstellen. Gebeurt dat niet, dan moet het bedrijf een geldbedrag betalen voor elke periode dat de overtreding voortduurt.

In januari 2022 volgde het volgende bericht van SodM: herstel van het onderste deel van de put bleek niet meer mogelijk, omdat daar een obstructie zat en de verbuizing in slechte staat was. SodM schreef dat dit deel van de put daardoor niet langer geschikt te maken was voor winning van aardwarmte. In het onderste deel van de put werd een cementplug geplaatst om een effectieve en duurzame afsluiting te maken. Winning van aardwarmte via die put was daarmee niet meer mogelijk.

Bij de allereerste Nederlandse aardwarmtepionier hier in Lansingerland blijkt dus dat een put niet veilig winbaar te houden was.

Lokale problemen zijn niet gestopt bij één oude pioniersput
Ook recenter zijn er in en rond Lansingerland concrete problemen geweest. In de Staatscourant van 18 december 2025 staat dat het ministerie van Klimaat en Groene Groei een ontheffingsverzoek voor de geothermieputten VDB-GT-01, VDB-GT-03 en VDB-GT-04 heeft geweigerd. Die putten liggen aan de Petuniaweg in Bleiswijk, de Noordeindseweg in Berkel en Rodenrijs en de A.H. Verweijweg in Berkel en Rodenrijs. Volgens het besluit zijn er problemen met de integriteit van de putten, waardoor niet met zekerheid kan worden gesteld dat ze niet gaan lekken. Daarom moest binnen zes maanden alsnog een verwijderingsplan worden ingediend.

Waarom is dat belangrijk? Het laat zien dat risico’s rond geothermie in Lansingerland niet alleen gaan over modellen, scenario’s of studies. Maar over daadwerkelijke incidenten met bestaande putten, handhaving en ingrijpen door ministerie.

De toezichthouder zelf kiest een voorzichtige toon
Dat zie je ook terug in de toon van SodM. In het Toezichtarrangement Geothermie 2025 noemt SodM de sector nog relatief jong. De toezichthouder schrijft ook dat aardwarmteprojecten steeds vaker in de gebouwde omgeving zullen plaatsvinden en dat daardoor het burgerperspectief belangrijker wordt. Bovendien verwacht SodM dat initiatiefnemers al aan het begin van een project nadenken over de nazorgfase.

SodM schrijft zelfs expliciet dat de effecten van aardwarmtewinning op de lange termijn nog niet volledig voorspelbaar zijn. Als voorbeelden noemt de toezichthouder bodembeweging door seismiciteit en waterverontreiniging in andere gesteentelagen door scheurvorming in de afsluitende laag boven het oorspronkelijke reservoir.

De risico’s staan wél in de stukken
Het opvallende is niet dat risico’s nergens worden benoemd. Het opvallende is dat ze juist wel in de stukken staan, maar in het publieke debat en presentatie van geothermieprojecten vaak naar de achtergrond verdwijnen.

In toezichtdocumenten van SodM maar ook andere documenten over geothermie komen steeds terug:

  • putintegriteit;
  • grondwaterbescherming;
  • scheurvorming;
  • seismische risico’s;
  • monitoring;
  • interferentie met andere projecten;
  • nazorg op de lange termijn.

Dat maakt de centrale vraag van dit artikel niet: is geothermie wel veilig genoeg?
De echte vraag is: waarom klinkt het publieke verhaal vaak stelliger over de veiligheid van geothermie dan de documenten die eraan ten grondslag liggen?

Trillingen en kleine aardbevingen horen bij het officiële risicobeeld
Ook trillingen en kleine aardbevingen zijn niet alleen een theoretisch risico. In de Kennisbundel Geothermie schrijft het Nederlands Intituut Publieke Veiligheid (NIPV) dat bij geothermie het risico op trillingen ontstaat door het onttrekken en injecteren van vloeistoffen in de ondergrond. Het instituut noemt als maatregelen een lokale risicoanalyse, een seismische gevarenanalyse, een seismisch monitoringssysteem en een zogenaamd traffic light system.

SodM gaat daarin nog een stap verder. In de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets van april 2025 over het zogenoemde traffic-light-systeem voor aardwarmte schrijft de toezichthouder dat in Nederland vaak wordt aangenomen dat de kans op schadeveroorzakende bevingen klein is. Tegelijk benadrukt SodM dat die inschatting grotendeels gebaseerd is op modellen en buitenlandse voorbeelden die niet noodzakelijk representatief zijn voor de Nederlandse ondergrond. Bovendien zijn de mogelijke langetermijneffecten volgens de toezichthouder nog nauwelijks waargenomen, waardoor er nog aanzienlijke onzekerheden bestaan.

SodM wijst er ook op dat het voorgestelde systeem in sommige gevallen pas ingrijpt op het moment dat er al kans op schade bestaat. 1Zelfs nadat een installatie is stilgelegd kunnen er nog bevingen optreden. In dezelfde analyse wijst SodM op zogenoemde “na-ijlende” seismiciteit: trillingen die ontstaan nadat injectie of productie is gestopt, doordat druk en temperatuur in de ondergrond zich nog verder aanpassen. In Nederland werd dat bijvoorbeeld waargenomen bij aardwarmtewinning nabij Californië in Limburg, waar ook na het stilleggen van de productie nog bevingen werden gemeten.

Daar bovenop wordt in internationale wetenschappelijke literatuur breukreactivatie bij geothermie serieus onderzocht. Een publicatie uit Geophysical Journal International uit 2025 beschrijft hoe in enhanced geothermal systems (EGS) geïnduceerde seismiciteit een belangrijke uitdaging vormt voor veilige en duurzame ontwikkeling van geothermie. De onderzoekers noemen daarbij expliciet processen als interactie tussen aardbevingen en reactivatie van bestaande breuken.

Die studie gaat wel over een andere zwaardere vorm van geothermie dan de Nederlandse projecten, en is dus niet één op één toepasbaar op Lansingerland. Maar de paper is wel relevant omdat zij laat zien dat breukreactivatie door geothermische ingrepen internationaal een serieus bestudeerd mechanisme is. Dat sluit aan bij Nederlandse rapporten waarin toezichthouders en onderzoekers waarschuwen dat ook hier druk- en temperatuurveranderingen in de ondergrond invloed kunnen hebben op bestaande nu nog “slapende” breuken.

Een ander punt waar toezichthouders en onderzoekers aandacht voor hebben, zijn laagfrequente trillingen of geluiden. Dat zijn trillingen of bromtonen met een zeer lage frequentie die mensen soms kunnen waarnemen als een constante brom of dreun.

In verschillende onderzoeken wordt erop gewezen dat geothermie-installaties niet alleen seismische activiteit kunnen veroorzaken – dus kleine aardbevingen – maar ook andere vormen van trillingen of geluid. Zo wordt in het onderzoeksprogramma KEM-31 gekeken naar mogelijke trillingen en geluidseffecten rond geothermie-installaties, waaronder laagfrequent geluid.

Opvallend is dat in de meeste vergunningen en toezichtsystemen rond geothermie de nadruk vooral ligt op seismische activiteit (aardbevingen) en op hoorbaar geluid van installaties bovengronds. Voor trillingen die niet-seismisch van aard zijn en vanuit de ondergrond kunnen komen, bestaat in de documenten van SodM en in vergunningdossiers minder een duidelijk uitgewerkt toezichtkader.

RTV Lansingerland constateerde bij het doorzoeken van vergunningen en onderzoeksrapporten al eerder dat voor dit type mogelijke trillingen meestal geen specifieke monitoring of vooronderzoek verplicht wordt gesteld, terwijl ze theoretisch wel als laagfrequente bromtoon aan het oppervlak waarneembaar zouden kunnen zijn. Zowel SodM als onderzoekers erkennen dat kennis over dit onderwerp nog beperkt is en dat verder onderzoek nodig is.

In Lansingerland speelt dit onderwerp nog steeds. In verschillende delen van de gemeente melden inwoners al langere tijd een zogeheten bromtoon die afkomstig lijkt van laag frequent geluid (LFG). Op dit moment loopt er onderzoek door TNO, naar mogelijke bronnen daarvan. Of er een relatie bestaat met geothermie of andere industriële activiteiten is nog niet vastgesteld.

Breuken zijn niet alleen handig, maar ook een risico
De ondergrond onder West-Nederland, en dus ook hier, bestaat niet uit één stevige steenlaag. Het zijn veel verschillende lagen zandsteen, klei en andere gesteenten boven op elkaar. In die lagen zitten ook breuken. Dat zijn scheuren in het gesteente waar de lagen in het verleden een beetje langs elkaar zijn verschoven.

Bij geothermie kunnen zulke breuken twee kanten hebben. Soms helpen ze juist, omdat warm water makkelijker door zo’n scheur kan stromen. Maar ze kunnen ook een risico vormen. Als de druk of temperatuur in de ondergrond verandert, kan een bestaande breuk weer een klein beetje gaan bewegen.

Daarom wordt dit onderwerp uitgebreid onderzocht. Een van de belangrijkste Nederlandse studies hierover is het KEM-15 rapport. Dat is een onderzoeksrapport waarin wetenschappers kijken naar het risico van geothermie op bestaande breuken in de ondergrond.

In dat rapport staat dat geothermie de spanning in het gesteente kan veranderen. Dat gebeurt omdat warm water uit de aarde wordt gehaald en daarna afgekoeld water weer terug de grond in gaat. Daardoor veranderen druk en temperatuur in de diepe aardlaag. Volgens de onderzoekers kan dat in sommige situaties invloed hebben op bestaande breuken. In het rapport staat dat breuken enerzijds kunnen helpen bij de waterstroming, maar dat ze ook het risico kunnen geven op seismische gebeurtenissen – kleine trillingen of bevingen – als de spanning in het gesteente verandert.

Het rapport trekt daar een duidelijke conclusie uit: je kunt niet één algemene geruststelling geven voor alle projecten. Volgens het KEM-15 onderzoek moet voor elke locatie apart worden onderzocht hoe de ondergrond eruitziet en hoe dicht meerdere putten bij breuken liggen. Dat heet een site-specific seismic risk assessment – simpel gezegd: een lokale risicoanalyse van de ondergrond.

Daarnaast adviseren de onderzoekers dat er tijdens het gebruik van een geothermiebron ook meetapparatuur in de omgeving aanwezig moet zijn om trillingen te registreren. Als de metingen boven een vooraf afgesproken grens komen, moet de exploitant minder water terugpompen of de installatie tijdelijk stilzetten.

Met andere woorden: in wetenschappelijke studies worden “slapende breuken” niet gezien als een theoretisch probleem, maar als iets waar bij geothermie wel degelijk rekening mee moet worden gehouden en waar voortdurend op gemonitord moet worden.

Dat is juist relevant in een gebied met meerdere projecten
En precies daar wordt het voor Lansingerland politiek relevant. Want hier gaat het niet om één los project. Het gaat om een gebied waar meerdere plannen, vergunningen en putten spelen of hebben gespeeld. SodM noemt in haar toezichtkaders niet voor niets expliciet breuken in de ondergrond, seismische risicoanalyse en interferentie met bestaand of vergund gebruik van de ondergrond.

In het adviessignaal over de integriteit van geothermische reservoirs noemt SodM “interferentie met andere projecten” expliciet als een mogelijk negatief effect. Andere effecten die daarbij moeten worden meegewogen zijn volgens de toezichthouder onder meer beïnvloeding van de grondwaterkwaliteit, bodembeweging en verlies van productie doordat water niet terugkeert naar het reservoir.

In hetzelfde adviessignaal schrijft SodM dat scheurvorming in de afsluitende lagen boven een geothermisch reservoir met grote onzekerheid omgeven is, moeilijk te controleren valt en dat de gevolgen onomkeerbaar kunnen zijn.

Met de cumulatie van steeds meer bestaande en nieuwe geothermie projecten binnen de gemeente, verschuift daarmee de vraag automatisch van techniek naar bestuur: als meerdere geothermieprojecten in dezelfde ondergrond actief zijn of gepland worden, wie bewaakt dan nog het totaalbeeld in plaats van alleen de veiligheid van elke put afzonderlijk?

De economische kant hoort net zo goed in het debat thuis
Geothermie is niet alleen een technisch dossier, maar ook een financieel en politiek dossier. Het gebruik van geothermie is nu nog aanzienlijk duurder dan het stoken op aardgas om een kas warm te houden. De aanleg van een aardwarmteproject kost veel geld en brengt grote risico’s met zich mee. Er moet diep worden geboord, de opbrengst van een bron is vooraf niet volledig zeker en financiers zijn daar volgens TNO terughoudender in geworden. TNO schrijft dat hoge investeringskosten en hoge projectrisico’s de ontwikkeling van nieuwe aardwarmteprojecten juist afremmen. Ook legt TNO uit dat de SDE++-subsidie bedoeld is om het verschil te overbruggen tussen de kostprijs van aardwarmte en de prijs van warmte op basis van fossiele energie zoals aardgas. Met andere woorden: veel geothermieprojecten zijn zonder aanzienlijke subsidies financieel helemaal niet rond te rekenen.

SodM zegt dat nog directer. In het Toezichtarrangement Geothermie 2025 schrijft de toezichthouder dat in bijna alle gevallen SDE+-subsidie nodig is om aardwarmte economisch rendabel te kunnen winnen. Dat maakt geothermie meteen ook een politieke keuze: niet alleen de tuinder of exploitant betaalt mee, maar via subsidies ook de belastingbetaler. De vraag is dus niet alleen of geothermie technisch werkt, maar ook wie er financieel van profiteert en wie een deel van het risico draagt.

Voor de glastuinbouw komt daar nog iets bij. Warmte uit aardgas levert in kassen niet alleen warmte, maar ook CO2 voor de teelt. Als gas wordt vervangen door geothermie, verdwijnt die bron van CO2 niet vanzelf netjes mee uit beeld. Volgens de Energiemonitor Glastuinbouw 2024 moet die CO2 dan steeds vaker extern worden aangevoerd. In 2024 ging het om ongeveer 0,73 megaton, 12 procent meer dan een jaar eerder. Dat betekent dat het verhaal niet simpelweg is: gas eruit, geothermie erin.

Waar staan we dan ten aanzien van geothermie in Lansingerland?
In de eerste plaats is dit geen pleidooi tegen geothermie. Lansingerland heeft duurzame warmte zonder meer nodig. De glastuinbouw kan niet zonder warmte. En geothermie kan daarin een belangrijke rol spelen. Maar juist omdat de inzet zo groot is, zou het debat niet alleen moeten draaien om geloof in techniek. Het moet draaien om een paar scherpere vragen:

  • Hoe zwaar weegt inzet van een techniek als zelfs de toezichthouder zegt dat de langetermijneffecten daarvan nog niet volledig voorspelbaar zijn?
  • Hoe geruststellend is een model als de toezichthouder zelf waarschuwt voor een te groot gevoel van veiligheid?
  • Hoe groot zijn de risico’s nou echt gestapeld als meerdere projecten kort op elkaar dezelfde ondergrond kunnen beïnvloeden?
  • En hoe vanzelfsprekend is geothermie als oplossing als er nu al geothermieputten in Bleiswijk en Berkel en Rodenrijs zijn waar integriteitsproblemen en lekkagerisico’s zijn vastgesteld?

Is dat wellicht een ongemakkelijke waarheid die uit de stukken naar boven komt? Niet dat geothermie ook gewoon net als iedere industrie ook risico’s kent. Risico’s die weliswaar klein zijn volgens alle literatuur. Maar dat de inzet van geothermie in beleid en debat vaak doet aanvoelen als een eenvoudig en veilig alternatief en antwoord op een lastig dilemma, de verduurzaming van de warmtevraag. Terwijl de documenten die ten grondslag liggen aan het beleid en toezicht op geothermie nog vol staan met waarschuwingen, voorwaarden en open eindes