In Lansingerland is De Bromtoon inmiddels meer dan een technisch vraagstuk. Het onderwerp roept steeds vaker scherpe reacties op, vooral op sociale media. Inwoners die zeggen dat zij een lage dreun of trillingen ervaren, krijgen regelmatig te maken met scepsis of opmerkingen dat het “tussen de oren zit”. Anderen geven juist aan dat zij zich niet serieus genomen voelen ook niet door beleidsmakers.
RTV Lansingerland spreekt al langere tijd met inwoners die hinder melden. Die gesprekken laten zien dat de impact op hun dagelijks leven daadwerkelijk groot kan zijn, met name door slaapproblemen en voortdurende stress. Tegelijkertijd zijn er inwoners die niets waarnemen en zich afvragen waar de discussie over gaat.
We zien dat juist dat contrast ook leidt tot onbegrip. Daarom kiezen we ervoor om nog een keer wat breder uit te leggen wat laagfrequent geluid (LFG) en lage-frequentietrillingen zijn, wat daarover wetenschappelijk bekend is en waarom het opsporen ervan zo complex is.
Wat is laagfrequent geluid precies?
Laagfrequent geluid (LFG) bestaat uit lage tonen, meestal onder de 125 Hertz. Het wordt vaak beschreven als brommen, zoemen of dreunen. Anders dan hogere tonen wordt laagfrequent geluid minder goed geabsorbeerd door lucht en materialen.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schrijft: “Mensen die een bromtoon of laagfrequent geluid waarnemen, kunnen hier veel hinder van hebben.” (Bron: RIVM – Informatie bromtonen). Volgens het RIVM hangt blootstelling aan laagfrequent geluid samen met ernstige hinder en mogelijk met slaapverstoring.
Daarbij maakt het RIVM een belangrijk onderscheid. Er is géén bewijs dat laagfrequent geluid op zichzelf specifieke ziekten veroorzaakt. Wel is er bewijs voor hinder en mogelijke slaapverstoring, en juist langdurige hinder en structureel slaaptekort kunnen een grote invloed hebben op gezondheid en dagelijks functioneren.
Geluid via de lucht of trillingen via de bodem
Wat bewoners “De Bromtoon” noemen, kan verschillende fysieke verschijningsvormen hebben. Soms gaat het om geluid dat via de lucht wordt overgedragen. In andere gevallen spelen juist trillingen via bodem of constructie een rol.
Trillingen kunnen zich via grond, fundering en beton verplaatsen en in een woning worden omgezet in hoorbaar laagfrequent geluid. De Rijksoverheid beschrijft dit mechanisme bij spoortrillingen als volgt: “Trillingen (red: uit de bodem) kunnen in gebouwen leiden tot laagfrequent geluid.” (Bron: Rijksoverheid – Spoortrillingen bij bestaande woningen)
Dat verklaart waarom sommige inwoners melden dat zij de brom vooral in bed voelen. Een bed staat in direct contact met de vloer, en lichte trillingen kunnen daar sterker worden ervaren. Bovendien kan een trillende constructie zelf weer geluid produceren in de ruimte.
Waarom hoort de één het wel en de ander niet?
Dit is misschien wel het meest frustrerende aspect van het fenomeen. In dezelfde straat kan één huishouden ernstige hinder ervaren terwijl buren niets waarnemen. Het RIVM schrijft hierover: “Het kan goed zijn dat bijvoorbeeld maar één bewoner in de straat last heeft.”
Dat verschil kan verschillende oorzaken hebben. Allereerst verschilt de gevoeligheid van mensen voor lage frequenties. Daarnaast speelt resonantie een belangrijke rol. Een woning kan bij bepaalde frequenties gaan meetrillen en het geluid versterken, vergelijkbaar met een klankkast van een muziekinstrument. Daardoor kan een specifieke slaapkamer of woonkamer gevoeliger zijn voor een bepaalde lage toon dan de woning ernaast. Zo kan het dus voorkomen dat een bewoner enorm veel last heeft van LFG terwijl de buren niets horen.
Daar komt bij dat laagfrequent geluid zich anders gedraagt dan hogere tonen. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) schrijft: “Laagfrequent geluid wordt slecht geabsorbeerd door lucht, bodem en obstakels en kan zich over grote afstanden voortplanten… Het geluid kan op sommige plekken zeer goed waarneembaar zijn en op andere plekken juist niet.” Bron: SodM – www.sodm.nl/onderwerpen/l/laagfrequent-geluid
Dat betekent dat een bron kilometers verderop lokaal kan worden waargenomen, afhankelijk van bodem, bebouwing en constructie.
Waarom is het zo moeilijk om een bron te vinden?
Wie gewend is om “gewoon” geluid te lokaliseren, verwacht vaak dat de richting snel duidelijk is. Bij laagfrequent geluid werkt dat anders. De lage tonen zijn minder goed richtinggevoelig en kunnen reflecteren of versterken op onverwachte plekken.
SodM schrijft dat het lastig is om te bepalen uit welke richting het geluid komt. Ook DCMR geeft aan dat de veroorzaker niet altijd eenvoudig te herleiden is en dat de bron zich soms op aanzienlijke afstand kan bevinden.
Sluiten de normen wel aan bij wat mensen ervaren?
Een terugkerende vraag in discussies over laagfrequent geluid is: als metingen binnen de richtlijnen blijven, hoe kan iemand dan toch ernstige hinder ervaren?
Voor laagfrequent geluid bestaat in Nederland geen afzonderlijke wettelijke grenswaarde zoals bij bijvoorbeeld verkeerslawaai. In de praktijk wordt vaak gewerkt met de NSG-richtlijn (Nederlandse Stichting Geluidshinder) als beoordelingskader.
Het RIVM schrijft echter dat hinder door laagfrequent geluid ook kan optreden bij niveaus die niet boven bestaande richtlijnen uitkomen. In de informatie over bromtonen staat dat hinderbeleving sterk individueel kan verschillen.
In de GGD-richtlijn over laagfrequent geluid wordt bovendien beschreven dat klachten niet altijd overeenkomen met gemeten niveaus en dat individuele gevoeligheid en situatie een rol spelen.
Ook in wetenschappelijke publicaties wordt benadrukt dat het beoordelen van laagfrequent geluid technisch complex is. In het KEM-31 onderzoek – een studie binnen het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw naar methoden om laagfrequent geluid te beoordelen – wordt beschreven dat de beoordeling afhankelijk is van veel verschillende factoren, waarvan sommige moeilijk voorspelbaar zijn.
Concreet betekent dat: het gaat niet alleen om hoe hard een bron geluid produceert. Ook de bodemopbouw, fundering, bouwconstructie van woningen, weersomstandigheden, afstand tot de bron en zelfs de plek waar gemeten wordt, beïnvloeden de uitkomst.
Een lage toon kan bijvoorbeeld kilometers afleggen, onderweg nauwelijks verzwakken, maar vervolgens in één specifieke woning worden versterkt doordat de constructie bij precies die frequentie mee gaat trillen. Een meter die buiten of op een andere plek meet, kan dan een andere waarde registreren dan wat iemand in een slaapkamer ervaart.
Dat maakt het mogelijk dat een meting formeel binnen richtlijnen blijft, terwijl een bewoner toch structureel veel meer hinder ondervindt dan uit de norm zou blijken.
Kortom; het normenkader om overlast door LFG objectief te meten is nog niet in lijn met de ervaren overlast door gedupeerden. Daar is meer onderzoek voor nodig, zeker als bijvoorbeeld zware mijnbouw steeds dichter bij woonkernen plaatsvindt.
Daarmee ontstaat een belangrijk spanningsveld: een meting kan formeel binnen een richtlijn vallen, terwijl een bewoner toch structureel veel hinder ervaart. Dat betekent niet automatisch dat de meting “fout” is — maar het laat zien dat richtlijnen niet altijd één op één overeenkomen met individuele beleving.
Staatstoezicht op de Mijnen noemt hinder door laagfrequent geluid een groeiend probleem en onderzoekt hoe beoordeling en toezicht beter kunnen aansluiten op praktijkervaringen.
Welke klachten zijn beschreven?
In een overzicht van meldingen beschrijft het RIVM dat mensen onder meer ernstige hinder, slaapproblemen, hoofdpijn, concentratieproblemen en hartkloppingen melden in samenhang met laagfrequent geluid. (Bron)
In een informatiebrief voor huisartsen noemt het RIVM ook drukgevoel op het hoofd en trillingssensaties. Internationaal is voor omgevingsgeluid in bredere zin vastgesteld dat langdurige blootstelling samenhangt met hinder, slaapverstoring en effecten op het hart- en vaatstelsel. (WHO-rapport)
Ook het RIVM schrijft daarover: “Bij geluid zijn effecten aangetoond zoals hinder, slaapverstoring en aandoeningen aan het hart- en vaatstelsel.” (Bron)
Belangrijk blijft de nuance: specifiek voor laagfrequent geluid is vooral de relatie met hinder en mogelijk slaapverstoring aangetoond.
Welke oorzaken kunnen laagfrequent geluid of lage-frequentietrillingen hebben?
Rest de vraag: maar waar komen die trillingen of De Bromtoon nou vandaan? Dat is dus ontzettend lastig om uit te vinden. Wat zijn dan mogelijke oorzaken of bronnen van LFG? Laagfrequent geluid heeft zelden één standaardbron. Volgens het RIVM kan de oorzaak zich zowel in de eigen woning, bij directe buren, als op grote afstand bevinden. Het RIVM schrijft: “De bron van laagfrequent geluid kan in huis aanwezig zijn, bij de buren of van buiten komen.” (Bron)
In oudere GGD-richtlijnen over laagfrequent geluid worden onder meer genoemd:
- ventilatoren
- verwarmingspompen
- industriële compressoren
- transformatoren
- industriële installaties (zoals grote pompen)
Bron: GGD-richtlijn Laag Frequent Geluid
Daarnaast kunnen ook grotere technische installaties in de gebouwde omgeving lage frequenties produceren. Denk aan installaties die continu draaien of op vaste snelheid werken. Het gaat dan niet alleen om geluid via de lucht, maar ook om trillingen die via de bodem of fundering worden doorgegeven.
Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) wijst erop dat laagfrequent geluid zich over grote afstanden kan voortplanten en soms pas op specifieke plekken sterk hoorbaar wordt. (Bron)
Bij trillingen via de bodem – bijvoorbeeld door zware installaties, industriële pompen of gemalen, verkeer of andere mechanische bronnen – kunnen constructies van gebouwen mee gaan trillen. De Rijksoverheid beschrijft dat dergelijke trillingen in gebouwen kunnen leiden tot laagfrequent geluid.
Dat betekent dat een bron niet per se luid hoeft te zijn om toch merkbare effecten te veroorzaken. Een continu draaiende installatie op afstand kan in combinatie met bodemgesteldheid en bouwconstructie lokaal versterkt worden.
Belangrijk is dat dit algemene categorieën zijn. Het benoemen van mogelijke oorzaken is géén aanwijzing dat één van deze bronnen in Lansingerland daadwerkelijk de oorzaak is. Het laat vooral zien hoe breed het speelveld is waar onderzoekers rekening mee moeten houden.
Waarom dit geen kwestie is van “massahysterie”
Sceptici wijzen er soms op dat niet iedereen het hoort. Maar juist dat selectieve karakter wordt door officiële instanties beschreven. Al in richtlijnen over laagfrequent geluid staat dat klachten niet door iedereen worden waargenomen en daarom soms niet serieus worden genomen. (Bron)
Bovendien noemt SodM hinder door laagfrequent geluid een “groeiend probleem” en is zelf onderzoek gestart binnen sectoren waarop het toezicht houdt. Bron: www.sodm.nl/actueel/nieuws/2025/04/29/staatstoezicht-op-de-mijnen-doet-onderzoek-naar-laagfrequent-geluid







